door Remco Schrijvers
Veel journalisten, bloggers en economen voorspellen hoge inflatie, zelfs hyperinflatie, omdat de Fed een monetair programma, Quantitative Easing (Q.E.), is begonnen. De redenatie is dat door Quantitative Easing de geldhoeveelheid dusdanig groeit, zodat dit alleen maar kan leiden tot hevige inflatie. Echter, tot dusver is er geen hevige (of hyper-) inflatie geconstanteerd. In dit artikel leg ik uit hoe dat in elkaar zit.
Monetaristische Visie
Om te ontdekken wat de eventuele impact is van Q.E. op inflatie, is een fundamenteel begrip van de mechaniek van een Q.E. transactie noodzakelijk.
Om het makkelijk(er) te houden, focussen we ons hier op Q.E.2, het programma waarbij de Fed treasuries (Amerikaanse staatsobligaties) opkoopt. Als de Fed een obligatie koopt, dan wordt dit geboekt als een bezitting op haar balans. Aan de schuldenkant nemen de reservebalansen van de banken toe met hetzelfde bedrag. Zodoende leidt een Q.E.-transactie dus tot een toename van de monetary base (=reserve balansen + cash in de kluis bij banken). Deze toename in de monetary base is de angst van de
inflationista's.
Deze angst komt voort uit de monetaristische visie, gebaseerd op de
equation of exchange:
MV = PT
waar M de geldhoeveelheid is, V de omloopsnelheid, P het prijsniveau en T het totaal aan transacties (ofwel, PT is het nominale bruto nationale product).
Deze vergelijking is een tautologie*, omdat de omloopsnelheid V gedefinieerd is als PT/M.
De monetaristische visie gaat er vanuit dat V een soort van constante is (wat het niet is), waardoor een toename van M leidt tot een toename van PT. Als de reële economie (T) minder hard groeit dan de toename van M, dan leidt dit tot inflatie (P).
De aanname dat V constant is, is duidelijk incorrect. De volgende figuur (van
www.hussmanfunds.com) toont de empirische relatie tussen M en V.
Aangezien de helling van deze grafiek nagenoeg -1 is, is de conclusie dat V ongeveer evenredig afneemt met een toename in M! Daar gaat het transmissie-mechanisme overboord!
Een tweede punt is, dat wordt aangenomen dat een toename in de monetary base (MB) leidt tot een toename in de bredere geldhoeveelheid (M1 t/m M3). Ook dit klopt empirisch niet (zie alle bekende grafieken van de exponentiële stijging van MB, maar de vlakke grafiek van bijvoorbeeld M3).
De monetaristische visie, een afstammeling uit de tijd van de goudstandaard, is simpelweg niet toepasbaar op een fiat systeem met flexibele wisselkoersen, waar de overheid het monopolie heeft op gelduitgifte.
Hoe het wel werkt
De kritieke fout die wordt gemaakt is de aanname dat de reservepositie van een bank de mogelijkheid tot de uitgifte van leningen bepaalt. Echter, de leningenverstrekking van een bank wordt niet beperkt door de reserves die zij heeft; banken zijn niet
reserve constraint.
Een lening wordt door de bank verstrekt als zij een overeenstemming kan bereiken met een kredietwaardige klant. Het is absoluut niet zo, dat de bankbediende eerst de reservepositie van de bank moet bekijken, om te zien of hij de lening wel mag verstrekken. Eerst wordt de lening uitgegeven en pas daarna wordt voldaan aan de reservevoorwaarden.
In Europa zijn de reservevoorwaarden de gemiddelde voorwaarden waaraan een bank moet voldoen over een tweewekelijkse periode. Gedurende die periode kan een bank prima een tekort of overschot aan reserves hebben, zolang het gemiddelde over de periode maar aan de minimum voorwaarden voldoet.
Als een bank een tekort heeft aan reserves, dan leent zij deze reserves op de interbancaire markt. Echter, reserves als geheel kunnen alleen veranderen door acties van de centrale bank of overheid. Dus, als er een tekort aan reserves is in het systeem als geheel, leidt dit tot een toename van de interbancaire rente. Net zo lang, totdat de centrale bank het tekort aanvult (dit doet zij door monetaire operaties, zoals de Main Refinancing Operations van de ECB). Aangezien de centrale banken een rentedoel hebben voor de korte termijnrente, zijn deze variaties in de rentevoet ongewenst. Vandaar dat de centrale banken altijd een tekort (of overschot) aan reserves compenseert, om de rente stabiel te houden.
Dus: in een regime waar centrale banken de rente
targeten, kunnen banken altijd aan hun reserves voldoen (tegen een bepaalde rente). Banken worden NIET beperkt in hun leningverstrekking door de reserves die zij hebben.
Als onderdeel van de crisismaatregelen, zijn centrale banken rente gaan betalen op
excess reserves (het teveel aan reservebalansen). Hierdoor is er een ondergrens aan de val van de interbancaire rente, veroorzaakt door het bestaan van een overvloed aan reserves. In de V.S. is deze rente 0.25%. Niet verwonderlijk is de interbancaire rente (Fed Funds Rate) ook 0.25%.
De exponentiële toename in de monetary base door Q.E. heeft dus niet tot gevolg dat de bredere geldhoeveelheid stijgt, omdat dit slechts afhankelijk is van de vraag naar leningen. En die is in het huidige klimaat niet groot. Q.E. verandert niets aan de mogelijkheid van een bank om leningen te verstrekken.
Quantitative Easing is een asset swap
Het
money multiplier-idee is dus een fictie. Leningen zijn vraaggestuurd en niet aanbodgestuurd.
Een andere vraag die nog beantwoord moet worden, is de vraag of de toename van de monetary base op zichzelf niet inflationair is.
Ook hier is het antwoord negatief. Q.E. is namelijk een asset swap. De Fed koopt obligaties en daarvoor krijgen de banken reserves. De netto financiële bezittingen (“koopkracht”) van de niet-overheidssector nemen hierdoor niet toe.
Dit is in tegenstelling tot overheidsuitgaven. Als de Amerikaanse overheid uitgeeft, dan wordt de rekening van de overheid bij de Fed gedebiteerd, en de reservebalansen van de banken gecrediteerd. Dit leidt dus tot een stijging in netto financiële bezittingen van de niet-overheidssector. Overheidsuitgaven geven dus wel een inflationaire druk.
Het belangrijke om in te zien is dat de Fed door middel van Q.E. de ene claim op de overheid (treasuries) vervangt door een andere claim op de overheid (dollars/reserve balansen). Het verschil zit alleen in looptijd en rente. Er gaat zelfs een lichte deflationaire druk van Q.E. uit, omdat het rentedragende bezittingen (treasuries) vervangt door bezittingen met minder rente (excess reserves, 0.25%)!
Fundamenteel heeft Q.E. dus geen inflationair effect. Het enige inflationaire effect van Q.E. kan psychologisch van aard zijn. Als, om de een of andere reden, investeerders hun portfolio aanpassen onder invloed van Q.E., dan kan dit uiteraard leiden tot prijsstijgingen in bepaalde assets.
Hoewel dit laatste kan leiden tot inflationaire druk, is dit niet het grote inflationaire effect dat veelal verwacht werd. Behalve een licht drukkend effect op de lange termijnrente, verandert Q.E. fundamenteel nagenoeg niets.
In de woorden van Richard Koo (die veel ervaring heeft betreffende Q.E. in Japan):
"The central bank’s implementation of QE at a time of zero interest rates was similar to a shopkeeper who, unable to sell more than 100 apples a day at $100 each, tries stocking the shelves with 1,000 apples, and when that has no effect, adds another 1,000. As long as the price remains the same, there is no reason consumer behavior should change–sales will remain stuck at about 100 even if the shopkeeper puts 3,000 apples on display. This is essentially the story of QE, which not only failed to bring about economic recovery, but also failed to stop asset prices from falling well into 2003."
*
http://www.tau.ac.il/~agass/joseph-papers/tautology.pdf
Remco Schrijvers is eigenaar en schrijver op het economische blog
www.money-for-nothing.nl.
Dit blog gaat vooral over macro-economie en monetair beleid. Remco Schrijvers is een onafhankelijk onderzoeker en op geen wijze verbonden aan Forexfox.